Tips & Trucs Belastingrecht

Colaboreren met de belastingdienst
Afscheidsrede: professor Dr. D. Brüll
Kanttekeningen bij het thema pers en heffingspraktijk Afscheidscollege gegeven op 2 september 1983

Dit blijven doceren is colaboreren

Kanttekeningen bij het thema pers en heffingspraktijk Afscheidscollege gegeven op 2 september 1983 door prof. Dr. D. Brüll

Professor Brüll was hoogleraar belastingrecht aan de Universiteit van Amsterdam, de Universiteit van Tilburg en aan de Erasmusuniversiteit van Rotterdam. Hieronder vind u de tekst van zijn afscheidscollege, Professor Brüll, zelf slachtoffer van het Nazi Regiem, besluit enkele jaren voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt te stoppen met zijn werk als hoogleraar. In dit afscheidscollege legt hij uit waarom: “van dat moment wordt het doceren van het ‘hedendaagse belastingrecht’ collaboratie.

Professor Brüll spreekt deze rede uit in 1983, nadien is het allemaal alleen maar erger geworden, veel erger.

Het woord is aan professor Dr. Dieter Brüll

Dames en Heren,

Voor het laatst in mijn functie van hoogleraar in het belastingrecht tot U sprekende, wil ik U in de eerste plaats vertellen, wat U vanmiddag te verwachten hebt. De rede zal – hoe kan het ook anders– een drieledig karakter hebben. Ik zal allereerst nog één keer een wetenschappelijk hoofdstuk aansnijden; ik zal daarna verantwoording afleggen van wat ik in een dertigjarig docentschap gemeend heb te moeten doen; en ik hoop tenslotte nog een paar persoonlijke woorden te spreken.

De belastingwetenschap, kan men met de woorden zeggen, die Schiller Maria Stuart in haar mond legt, ‘ist besser als ihr Ruf’. Haar gaat het odium vooraf, dat zij saai is. Het tegendeel is waar. Laat ik dus ook Goethe op haar toepassen: ‘Wo Ihr sie packt, da ist sie interessant’. Zij onttrekt zich echter niet aan een wetmatigheid van het menselijke bestaan: om het boeiende te ontdekken, moet men er vaak naar gekeken hebben; het onthult zich alleen aan de liefhebbende waarnemer. En om de talrijken, die hier minder om het vak zijn gekomen, niet een uur lang staan te vervelen, dacht ik er goed aan te doen een onderwerp te kiezen, dat voor niemand vreemd is: het belastingrecht in de pers. Het geeft mij gelegenheid, nog eenmaal belastingsociologie te beoefenen. Het is echter bovenal een onderwerp, dat hooguit zijdelings tot opmerkingen heeft geleid, maar nog geen systematische behandeling heeft gevonden. Dat verschaft mij tevens een excuus: ik mag ermee volstaan deze witte plek te signaleren, meer vragen oproepend dan beantwoordend. Trouwens, is dat niet het kenmerk van iedere wetenschappelijke bedrijvigheid?

Ik wil beginnen met het constateren van een feit, dat dermate evident is voor een ieder die hierop wil letten, dat ik mij ontslagen kan achten het statistisch aan te tonen: de dagbladpers geeft een volstrekt eenzijdig beeld van het fiscale gebeuren. Terwijl het wetgevingsproces weliswaar niet vakkundig, maar kritisch-politiek wordt begeleid, vindt U van wat er daarna gebeurt weinig meer dan geregelde – en daarmee bedoel ik: wekelijkse tot dagelijkse– litanieën over de nationale epidemie belastingfraude; meer in het algemeen of aan de hand van fraudeurs, die men op het spoor is gekomen. Sommige bladen werpen zich ook met gretigheid op constructies tot ontgaan van belasting, vooral als er hoge Pieten bij zijn betrokken, doorgaans niet geremd door inzicht in de fiscale ins en outs. Gesundes Volksempfinden heeft dat niet nodig.

Een telkens terugkerend item is het gebrek aan rechts- en ander instrumentarium, waarmee de fiscus het moet stellen – overigens in navolging van een verbazingwekkende unanimiteit in de Kamer; maar wat wil je, als zich onder de 150 volksvertegenwoordigers, die over de overheveling van 75% van het nationale inkomen naar overheidscollectiviteiten moeten beslissen, slechts één fiscalist bevindt – en dan nog een, die als staatssecretaris te kennen heeft gegeven, niets voor een symmetrische rechtspositie van burgers en fiscale ambtenaren te voelen? Doch ook bij de reeds genoemde bespreking van wetsvoorstellen herhalen zich hooguit de bedenkingen van de fracties, wie nu weer ten onrechte te veel of te weinig belast wordt, zonder dat de vraag opduikt, wie het slachtoffer van te ruim gestelde wetsbepalingen wordt, de zogenaamde overkill, en daardoor op genade of ongenade aan het departement wordt uitgeleverd. Iemand, die met artikel 29a IB in aanvaring komt, behoef je toch zeker niet te beschermen? Ten eerste niet, omdat hij iets te beleggen heeft, en ten tweede niet, omdat hij dat ook nog in het buitenland wil doen. Een vrijwel volstrekt zwijgen daarentegen heerst met betrekking tot de illegaliteit van fiscale ambtenaren; over datgene, wat door het wetboek van strafrecht als ambtsmisdrijven wordt aangeduid.

Ik ga thans op de concrete gevallen niet in, evenmin als op concrete fraudes en constructies, want dat heb ik tien jaar lang gedaan. Ik volsta met de opmerking, dat sedert De Volkskrant door een interview met mij het daarop rustende taboe in november vorig jaar heeft doorbroken, een niet aflatende stroom van ‘gevallen’ bij mij binnenstroomt, waarbij een ‘ambtenaar in de uitoefening van zijn bediening heeft gevorderd of ontvangen hetgeen hij weet, dat niet verschuldigd is’, respectievelijk ‘door misbruik van gezag iemand heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden’– misdrijven waarop een maximum van respectievelijk 6 en 2 jaar gevangenis staat. Uiteraard kan ik iets over het hoofd hebben gezien, en ik bied daarvoor graag bij voorbaat mijn excuses aan. Maar mij is geen enkel dagblad bekend, dat dit verschijnsel in zijn algemeenheid of aan de hand van een navrant geval aan de orde heeft gesteld. Met uitzondering van één boekbespreking van mij en enkele verslagen van wat ik gezegd heb (of gezegd zou hebben). En die verwijzingen hebben vanuit de krant gezien een vrijblijvend karakter.

Er wordt niet bericht, wat gebeurd is, maar wat iemand denkt, dat zich heeft voorgedaan. Dit verschijnsel roept de sociologische vraag naar het waarom op. Laat ik meteen zeggen, dat ik die vraag wel kan stellen, maar niet beantwoorden. Verwacht dus geen onthullingen. Ik kan elementen bij elkaar dragen, veronderstellingen uiten en vertellen wat het mijns inziens per se niet is: geen departementale samenzwering. Het oudste en bijna archetypische voorbeeld van unanieme ‘zelfbeperking’ vindt men in de eerste augustusdagen van 1914. Nederland had de onschendbaarheid van Luxemburg gegarandeerd en toen de Duitse legers door dit landje trokken, waren wij volkenrechtelijk verplicht de oorlog aan Duitsland te verklaren. Geen woord verscheen daarover in de pers. Ik ben er nog steeds niet achter, of dit het gevolg van een uiterst discrete persconferentie was, dan wel inzicht, dat zwijgen in het nationale belang was. Ik zou mij kunnen voorstellen, dat hoofdredacteuren voorzichtig bij BZ geïnformeerd hebben en te horen kregen: ‘In Gods naam, mondje dicht!’ Misschien is die zaak al lang uitgezocht. Hij is voor ons onderwerp ook slechts in zoverre van betekenis, als belastingheffing eveneens een soort nationaal belang is. Ik acht het uiterst onwaarschijnlijk, dat vanuit het departement de pers bijeen is geroepen met de boodschap: ‘In het belang van Nederland, geen woord erover!’ Dat zou immers best averechts kunnen uitwerken. Het zou de redacteuren op ideeën hebben kunnen brengen; en de pers is niet kieskeurig als het nieuws betreft, mag dat ook niet zijn. Het omgekeerde ligt meer voor de hand: een redacteur verneemt geruchten over ambtelijke misdrijven; hij kan dat, gezien de algemene opvatting, nauwelijks geloven; hij belt – zoals dat hoort: ter verificatie – ‘Voorlichting’ van Financiën. En wat moet die man dan zeggen? Uiteraard hetzelfde, wat zijn hoogste chef naar aanleiding van mijn ‘Fiscale Mythologie’ heeft gezegd: ‘bij de Dienst bestaan geen buitensporigheden, laat staan misdrijven. U weet toch, hoe men overdrijft, als het om belastingen gaat. Zou zich werkelijk ergens een incident hebben voorgedaan, dan ben ik onmiddellijk bereid de zaak tot de bodem toe uit te zoeken en hard in te grijpen, want niemand kan de goede naam van de Dienst meer ter harte gaan dan mij.’ Daarmee is de zaak in het kader geplaatst, dat men er intern voor bestemd heeft: opgeblazen incidenten. En men kan hieraan dan nog vertrouwelijk toevoegen: bij zo veel miljoen gevallen jaarlijks is het niet uitgesloten, dat ook wel eens iets scheef gaat, maar U bewijst de samenleving geen dienst door een eventueel incident in de openbaarheid te brengen. U weet toch, hoe er gefraudeerd wordt. U verschaft de mensen met zo’n verhaal een smoes om nog meer te frauderen. En U weet toch ook, hoe overbelast de fiscus is; het loopt op een debâcle uit, als men uit wantrouwen tegen iedere aanslag in het geweer komt. Ik zeg dus niet, dat het zo gegaanis; wel dat het zo zou moeten gebeuren bij goede ambtsvervulling. Want die beide laatste gevaren zijn reëel. Alleen al daarom kan het departement zich niet veroorloven, het normaal worden van systeemmisdrijven toe te geven. En het zou even dwaas zijn om zo’n ambtenaar leugenachtigheid te verwijten als om hem te geloven. Speculatief– maar intrigerend – is het antwoord op de vraag, waarom de pers dit sensationele onderwerp niet aanpakt, terwijl toch vele lezers die verhalen met instemming zouden lezen. Ik noem een aantal mogelijkheden: a.Men ziet inderdaad het ‘nationale belang’ (lees: het belang voor het heersende systeem) in, wil misschien ook de tak niet afzagen, waarop men zit. Politie, leger en fiscus – de drie ‘gespaarden’ bij de bezuinigingen– zijn de drie pijlers van elke totalitaire samenleving, ook van een gecacheerde als de onze. – Ja, maar de gedragingen van de politie halen wèl de pers, zal men mij tegenwerpen. Er zijn, gezien vanuit de kant van de overheid, inderdaad overeenkomsten. Ook agenten gedragen zich altijd netjes en mogen niet gestraft worden. Vanuit het publiek zijn er relevante verschillen. Met de politie komt een luttel aantal burgers in aanraking. Negentig procent roept mee: ‘Goed dat er politie is!’ Met de fiscus daarentegen heeft vrijwel iedereen ervaringen. Zijn die slecht, dan zou een publikatie als een katalysator kunnen werken. En dat zou wel eens het einde van het sprookje van het incident kunnen betekenen. Hier dreigt een dodelijk gevaar voor onze verzorgingsstaat. – Het is allemaal waar, maar ik acht het zeer onwaarschijnlijk, dat zo veel rationaliteit achter het persbeleid schuilt. b.De stof is ongeschikt voor de lezers. Ook daaraan valt niet te twijfelen. Ambtsmisdrijven betreffen voor het grootste gedeelte een zeer subtiel gebruik van mazen in de wet, die voor de leek nauwelijks te vatten zijn. Dat is bij vele ontgaansconstructies (minder bij fraude) weliswaar ook het geval en men leest hierover nauwelijks een juist woord in de bladen, maar die interesseren de lezer ook niet. Het zijn de bedragen, waarmee gesjoemeld is, die hem schokken. Per boef of per jaar. Zonder een parlementaire enquêtecommissie komt men er echter met geen mogelijkheid achter, welke bedragen ten onrechte zijn geheven (via gaten in de wet, chantage, valse voorlichting etc.) en bij het individuele geval kan men van een opgeblazen incident blijven spreken. Men zou de lezer slechts dan weten te emotioneren, indien hij inzicht en gevoel voor het formele recht zou bezitten. Daarmee hangt dan weer samen: c.Hoe moet de pers aan gegevens komen? Van de overheid zullen zij niet komen. De fiscus ontkent misdrijven en bij indicaties kan hij zich achter zijn geheimhoudingsplicht verschuilen. De consulenten staan bepaald niet te dringen om hun weten aan de pers prijs te geven, doorgaans uit – misplaatste– angst voor repercussies. (Ik ben uiterst zelden een rancuneuze inspecteur tegengekomen.) De wetenschappers tenslotte zijn vrijwel allemaal of politiek of commercieel (of beide!) geëngageerd en doen graag aan de ‘terughoudendheid’ van de consulenten mee. Dit alles neemt overigens niet weg, dat als de wil ertoe aanwezig zou zijn, de pers de werkelijkheid zeer wel boven water zou krijgen. Als Vrij Nederland zijn speurhonden bijvoorbeeld eens in deze richting zou inzetten… Waardoor we met de vraag blijven zitten: waarom ontbreekt die wil? Ik wil geenszins ontkennen, dat de Uitvoerende Macht zich ook wel actief opstelt bij de image-vorming. Zo heeft een bewindsman er ooit voor gezorgd, dat een free-lance medewerker van zijn krant werd getrapt, niet omdat hij iets zei dat onjuist was, maar omdat zijn kritische toon Zijne Excellentie niet behaagde. Maar hier spreek iknu van incidenten. Hoezeer dat soort draden ook aan ons oog onttrokken moge zijn– genoemd geval lekte alleen uit, omdat de man zo apetrots op zijn coup was, dat hij er zich openlijk op beroemde– meen ik niet, dat de pers zich langs die weg laat muilkorven. Daargelaten dat voor menige krant twijfel aan het staatsfatsoen niet bij haar politieke binding past. Veel meer mogelijkheden zouden de opiniebladen bieden, omdat zij de ruimte zouden kunnen nemen, om én de juridische merites én de achtergrond van ambtsmisdrijven voor een zich doorgaans op wat hoger intellectueel niveau bewegend publiek te verduidelijken. Ook daar is echter eenzijdigheid troef. Als toppunt van journalistiek lijkt men onthullingen te zien over de ministers van de tegenpartij, zo niet als belasting-, dan toch als wetsontduikers. De tentoongespreide sociale bewogenheid blijkt een blinde vlek te vertonen, waar de hulpeloze kleine man in de tang wordt genomen. Slechts in wat lichtzinniger tijdschriften komt men wel eens een negatief woord over de wijze van belastingheffing tegen – en dan nog veelal in badinerende, en derhalve niet geheel serieus te nemen vorm. Ik denk bijvoorbeeld aan het kostelijke stukje ‘Laatste mémoires van een commies’ van E. Damen in ‘September’ ’82/I. De speurtocht naar het waarom van de eenzijdigheid van de pers, was tot nu toe weinig vruchtbaar. Duidelijke lijnen kwamen er niet uit. Ik zou daarom nog op een laatste factor willen wijzen, die een recht-toe recht-aan toepassing van een stuk algemene sociologische theorie is. Ambtsmisdrijven onderscheiden zich van andere vormen van criminaliteit, doordat de dader doorgaans niet uit eigenbelang handelt, zoals bij vermogensdelicten, doch ook bij de meeste gewelddelicten het geval is. Men vervult zijn functie ‘te goed’, namelijk tot buiten de grenzen van de legaliteit. Dat bedoelt men met ‘systeemmisdrijven’. Terwijl in de lagere rangen wel eens eigenbelang in de vorm van carrièrestreven aanwezig kan zijn, mag dat in de hogere fiscale rangen uitgesloten worden geacht. Deze omstandigheid ontneemt nu voor zeer velen, en vooral voor leken, aan de illegale gedragingen het misdadige karakter. Maar het legt ook aan de overheid beperkingen op. Geen enkele overheid is bereid, haar systeemmisdadigers te straffen, mensen immers, die zich extra voor haar hebben uitgesloofd. Zij doet dat zelfs niet, als hun ijver haar pijnlijk is. Men begrijpt dit verschijnsel pas in zijn sociale betekenis, indien men het naast het andere altruïstische misdrijf plaatst, dat uit sociale bewogenheid. Dat wordt zwaarder dan welk ander ook gestraft, hetgeen we al lang wisten, maar een onderzoek van Schuyt over de tijd van 1968-1981 heeft het thans bevestigd. Ik ben op deze sociologisch verklaarbare tegenstelling in mijn ‘Burgerlijke ongehoorzaamheid’– in ‘Leven met afhankelijkheden’ Zeist 1978 – ingegaan. Als lid van een volksgemeenschap behoort de systeemmisdadiger tot de in-group, de pleger van burgerlijke ongehoorzaamheid tot de out-group. Niet alleen de Duitse rechter, die zelf een boterberg op zijn hoofd had, wenste de nazi’s niet te berechten, ook het merendeel van de bevolking voelde er niet voor. In principe is dat in ieder land hetzelfde. Het in-groupbeleven leidt eerst tot systeemmisdrijven bij de functionarissen van de in-group en vervolgens, mede door het gebrek aan weerklank bij de bevolking, tot het niet-vervolgen van die misdrijven. Het verschijnsel is er altijd geweest, maar krijgt nu existentiële betekenis. Zolang men nog grotendeels in het groepsbewustzijn leeft, kan men geen bewustzijn ontwikkelen omtrent de samenlevingsstructuur, waarvan men deel uitmaakt. Dan echter ontdekt men ook niet, dat bij onze samenlevingsstructuur, de technocratie, het systeemmisdrijfnoodzakelijkerwijzeoptreedt en wel als massaverschijnsel. Het is gevolg van en kankergezwel aan die maatschappij. Dat is geen prettige ontdekking voor de ‘zwijgende meerderheid’, want daarmee vervallen alle vermeende zekerheden. Vanuit dit gezichtspunt nu mag het sociologisch geheel begrijpelijk worden geacht, dat de pers, met haar fijne neus voor wat de lezers onder ogen willen krijgen, dit onderwerp liever terzijde laat. Een en ander neemt niet weg, dat hier onontgonnen terrein ligt voor de communicatiewetenschappen. Men zou hierin dan tevens de vraag kunnen betrekken, op welke wijze de fiscus op het beeldscherm wordt gebracht – een onderwerp, dat ik, als niet-kijker, liever niet aanroer.

Makkelijker ligt de situatie bij de vakpers. Het eenzijdige beeld is hetzelfde. Als ik mijn eigen publikaties niet meereken, dan blijft weinig meer dan een enkele schuchtere opmerking over. En het is typerend, dat als er dan tenslotte toch een artikel komt, waarin op wantoestanden bij het vervolgingsbeleid in fiscalibus wordt gewezen, de schrijver een advocaat blijkt te zijn: Langeveld in WFR 5588. Het is niet minder typerend, dat de consulent, Prast in WFR 5596, repliceert, dat hij geen behoefte aan polarisatie heeft en dat dergelijke publikaties een verwrongen beeld geven. Tot in de Vereniging voor Belastingwetenschap schijnt het licht, sporadisch of systematisch (delen 152 en 1 54), op de frauderende burger; de knevelende ambtenaar blijft in de 157 delen in het donker. Ook in de studies (47 en 113), die daartoe aanleiding hadden kunnen geven. Anders dan in de profane pers, is in de vakliteratuur de beïnvloedende hand van de overheid duidelijk te bespeuren, al is het moeilijk uit te maken, in welke mate dit het geval is. Ik geef enkele voorbeelden. Het alom gebruikte nieuwsblad ‘Vakstudie-Nieuws’ staat onder redactie van ambtenaren, waarbij één exambtenaar, doch weinig contribuabelen, die zich met vragen tot dit blad richten, beseffen, dat zij daarmee hun hebben en houden aan de tegenpartij overleggen en daardoor beantwoord worden. Het dagelijkse naslawerk, de Vakstudies, worden overwegend door ambtenaren bewerkt – met uitzondering van het ‘Algemeen Deel’– , en van het meest gelezen fiscale blad, het Weekblad voor Fiscaal Recht, bestaat de kernredactie uit ambtenaren en fungeren de andere redacteuren min of meer als adviescollege. Daarmee wordt uiteraard niet betoogd, dat alle genoemde werken een scheef beeld geven; wel dat de mogelijkheid bestaat van eenzijdige be- en voorlichting. In hoeverre zulks het geval is, zou een diepgaand onderzoek moeten uitwijzen, dat zich over vele jaren uitstrekt. De Vakstudie Vennootschapsbelasting bijvoorbeeld heeft zich van een kwalijk eenzijdig werk – des te kwalijker, omdat men er praktisch op aangewezen is – tot een betrekkelijk objectieve uitgave ontwikkeld; betrekkelijk, omdat ook hierin de dubieuze praktijken van ambtenaren, die zich juist ook tegen lichamen richten, ontbreken. Een encyclopedie kan men dit echter nauwelijks verwijten, omdat zij vermeldt wat er geschreven is en als er niets geschreven is, valt er niets te vermelden. In zoverre er eigen bijdragen zijn, is er een vloeiende overgang naar de bladen, waarbij het criterium zich verplaatst naar de vraag, welk soort schrijvers en publikaties men aantrekt. Van heel dit onderwerp interesseert ons hedenmiddag uiteraard slechts één aspect: hoe manifesteert zich de ambtelijke greep op de informatie in het beeld van het heffingsgebeuren? En omdat hier, opnieuw, van een onderzoeklacune moet worden gesproken, ben ik aangewezen op hoogst persoonlijke ervaringen. Ik doe dit ongaarne, omdat ik ongetwijfeld de opmerking uitlok, dat mijn onderwerp ingegeven is door wrok. Ik heb echter geen andere keuze en wie rancune vermoedt, moge bedenken, dat juist deze ervaringen het hoogste der gevoelens voor een wetenschapsman inhielden: bevestiging van zijn theorie. Bovendien zou ik mijn mond al lang dichtgepleisterd hebben, als ik mij van de veronderstellingen omtrent mijn motieven iets zou aantrekken. Een heel duidelijk voorbeeld is de Vakstudie Gemeentelijke Belastingen, waarmee ik ruim tien jaar intensief te werken had. Hoewel ik, in annotaties en artikelen, sedert 1964 het gemeentelijke heffingsgebeuren heb begeleid, zal het U moeite kosten om mijn naam in de encyclopedie te vinden. Zorgvuldig vermijdt men zelfs om de lezer op een spoor te zetten; aanvankelijk door in de FED, waarin ik schrijf, en niet elders verschenen beslissingen zó te citeren, dat zij onvindbaar zijn; later door deze uitspraken eerst te vermelden, als zij ook in een ander tijdschrift zijn gepubliceerd – zonodig uit de FED gestolen, zoals ik uit de overname van listiglijk door mij aangebrachte kleine wijzigingen kon opmaken– , zodat de bron FED niet vermeld behoefde te worden. Vindplaatsen bestaan daar slechts uit BNB of de ambtelijke bladen Vakstudie-Nieuws en Belastingblad. Aanvankelijk leefde ik in onzekerheid, of de redactie bezwaar had tegen mijn positief-rechtelijke kritiek of tegen het aan de kaak stellen van onfris overheidsgedrag. Thans weet ik het. Ik kreeg twee bepaald ook niet onkritische medewerkers bij het annoteren en die worden wel geciteerd. Het gaat dus óf om mij persoonlijk, óf (maar dat is daarvan nauwelijks te scheiden) om het weren van inzicht in het gemeentelijke onfatsoen – precies ons onderwerp. Een ander voorbeeld is het Weekblad voor Fiscaal Recht. Het was vanouds hét ambtenarenblad en is dat in feite gebleven. Hoe zeer men het op prijs stelde dat het in vertrouwde handen blijft, heb ik in mijn Fiscale mythologie aan het licht gebracht. Vanaf dat moment zakte het gordijn. Voor het bespreken van die rede zelf, gehouden op de Belastingconsulentendag van de Federatie, moest tenslotte de directeur van die Federatie in de pen klimmen– omdat het pijnlijk werd; toen de voltallige redactie besloten had aan mij een publikatie te vragen, bleek later dat de ambtelijke topredactie toch maar een ander had aangezocht; bij de literatuurbesprekingen kom ik sedertdien ook niet meer voor, hoewel ik met meer dan 900 publikaties tot de notoire veelschrijvers mag worden gerekend; van mijn intree aan deze universiteit verscheen in strijd met de traditie geen verslag en slechts wat ik (ongevraagd) opstuurde, werd geplaatst. Tot onder de nieuwe hoofdredacteur ook daar een eind aan kwam. – Dat heeft ook vermakelijke kanten. Van het geweigerde stuk, dat de leugens van de staatssecretaris en de zwakke rechtspositie van de belastingplichtigen aantoonde, werd de titel ook niet in het ‘Fiscaal Register’ opgenomen. Ja, beide uitgaven hebben dezelfde hoofdredacteur. Een zekere consequentie kan aan dit Register niet ontzegd worden. Sedert dit artikel worden mijn beschouwingen – alleen in 1982 tien– niet meer vermeld. Bedoelde hoofdredacteur zal er goede redenen voor weten te produceren, die extern niet per se dezelfde als intern behoeven te zijn. – De vermakelijkheid gaat echter nog verder. Zoals bekend, geeft het Register in principe van alles, wat op fiscaal gebied verschijnt, de inhoud in een paar trefwoorden weer. Laat nu van het laatste stuk van mij, dat nog is opgenomen (Algemeen: 135), de inhoud in de zou-vorm zijn overgebracht en van aanhalingstekens zijn voorzien. Precies zo, als onze krantekoppen uitspraken van communistische regeringsleiders citeren, ten teken, dat deze liegen of gek zijn. Waarmee het Register tot een opinieblad promoveert. Zou men dit alles onder de definitie ‘passieve verdediging’ kunnen rangschikken, er zijn ook enkele gevallen van actieve beïnvloedingspolitiek bekend geraakt. Zo heeft ooit een staatssecretaris de chefs van wetenschappelijke werkers verzocht te bewerkstelligen, dat deze zich minder kritisch over door hem ingediende wetsvoorstellen uiten. Nee, bij mij kwam hij niet… Dan is er het op kosten van de belastingbetalers uitgegeven tijdschrift ‘Per saldo’, waarvan het de bedoeling is, dat leraren maatschappijkunde het bij hun lessen gebruiken. Het blad bevat onvervalste staatspropaganda. Er komen wel ondeugende burgers in voor, maar nimmer ambtenaren, die onfatsoenlijk zijn. En tenslotte komt nog eens het Weekblad voor Fiscaal Recht in het beeld. Natuurlijk hebben de ambtenaren recht op een eigen blad, waarin tot steun van hun eigen image een smetteloos beeld van hun gestes wordt ontworpen. De zaak begint echter te rieken, als van dit eenzijdige blad een verplicht abonnement aan het lidmaatschap van de Federatie van Belastingconsulenten wordt gekoppeld. Juist de kleine en middengrote kantoren immers zullen nauwelijks aan een tweede fiscale opinieblad toekomen. De greep op de beeldvorming en daardoor de moraalopvattingen van hen, in wier handen het leeuwedeel van de aangifte- en adviespraktijk berust, krijgt daardoor een totalitair karakter. Wij staan thans aan de grens van een breed terrein, te weten de vele andere methoden, waarmee het departementale beleid de opinievorming over het heffingsgebeuren weet te beïnvloeden. Daarmee zouden wij echter ons onderwerp van vanmiddag overschrijden. Tenslotte moet er ook nog iets voor mijn opvolgers overblijven. En dat is het geschikte punt om over te gaan tot het tweede deel van mijn betoog: de verantwoording van de wijze, waarop ik mijn functie heb vervuld. Toen ik met zestien jaar Steiner’s ‘Kernpunkte der sozialen Frage’ gelezen had, stond de richting van mijn verdere streven vast. Slechts wie er niets van begrepen heeft, kan in dit boek een doctrine of erger zien. Wat de medische wetenschap voor de gezondheid van de individuele mens is, is sociale driegeleding voor de gezondheid van de samenleving. Zoals de medicus geen nieuwe organen voor de mens verzint, vult ook driegeleding niets in. Zij is geen model, geen blue print, geen heilsboodschap. Zij behoeft niet meer vooropstelling, dan wat voor een enigszins harmonisch mens evident is: omdat hij een lichamelijk wezen is, moet hij zich van de aarde voeden en omdat er vele mensen zijn en maar één aarde, zullen wij haar rijkdommen broederlijk moeten delen; omdat hij een bezield wezen is, wil hij zich in vrijheid ontwikkelen; en omdat hij een entelechie is, erkent hij in de medemens zijns gelijke – doet hij dit niet, dan stelt hij immers ook zijn eigen ik-wezen in twijfel. Alles wat de verwerkelijking van die drie, door de aard van de mens gegeven oer-impulsen tegenwerkt, maakt de samenleving ziek. De ziekteverwekkers en de door hen aangerichte verwoestingen aan te tonen, zou mijn taak binnen het universitaire leven worden. Niet uit plezier aan de ziekte, maar omdat therapie op diagnose berust. En ook, omdat mijn specialisme weinig gelegenheid zou bieden voor de therapeutische opgave. Hoezeer die laatste ook buiten mijn academische taak lag – en door mij er ook buiten werd gehouden–, zelfbeleefde ik de beide delen van mijn werk als een eenheid, beide even wetenschappelijk van aard. Als hommage aan mijn leermeesters wil ik in een paar woorden de weg daarnaartoe beschrijven. Het was Arnold Henny, die mij, nog op de Vrije-Schoolbanken, de weg naar de economie wees. Het was Hennipman, die in één enkel uur mijn ogen voor de filosofische bepaaldheid van zogenaamd objectieve (economische) theorieën opende. Het was A. N. J. Den Hollander, die precies dat soort sociologie mijn leven binnenbracht, dat ik later voor mijn academische taak nodig zou hebben. En het was De Langen, die mij de toegang opende tot het recht als wetenschap der entelechie en van daaruit tot het inzicht van de universaliteit van het driegeledingsprincipe. Een praktische vraag was evenwel, hoe deze inzichten in mijn doceeropdracht te passen waren, die gedurende 21 jaren winstbegrip luidde. Voor wie rechtswetenschap niet beschouwt als exegese van wat de wetgever geopenbaard heeft (met een zekere tolerantie voor marginale kritiek), zijn de grote principes weliswaar in ieder detail te vinden, maar de basis om daarvoor bij de studenten begrip te wekken, wordt met alleen het winstbegrip wel zeer smal. Didactisch is hiervoor een weg vereist, die begint met bewustmaking van het maatschappelijke gebeuren rondom ons; d. w. z. het ontmaskeren van de schijnargumenten en het verklaren van het totstandkomen daarvan, in het bijzonder uit groepsprocessen; de sociologie van het vak dus. Eerst als de vooroordelen beginnen te wijken, wordt de weg vrij voor het aangeven van wegen, waarlangs nieuw en echt recht kan ontstaan (niet: zelf wetten knutselen!), dus de filosofie van het vak. De kennis en werking van het positieve recht kan daarbij als bekend worden verondersteld. In feite kan die ook net zo goed in hoger beroepsonderwijs en nóg beter in de praktijk worden geleerd. Het zijn deze beide taken, die ik, zodra ik in Amsterdam daartoe de kans kreeg, ter hand nam. Onverwacht kan dat voor niemand gekomen zijn. Uiterlijk sedert mijn eerste optreden in 1965 in de Vereniging voor Belastingwetenschap was de koers duidelijk: het démasqué van onze onder democratische drapering schuilgaande technocratie; de strijd tegen een maatschappijvorm, die de mens ontmantelt, zijn waardigheid vernietigt en die met haar technicistisch uitgangspunt onherroepelijk naar de geprogrammeerde mens moet leiden. Ik moet overdeze beide taken nog iets meer zeggen. Zeer in het bijzonder de sociologische benadering van het maatschappelijke verschijnsel belastingheffing heeft veel misverstand verwekt; zoals menigeen in het eerste deel van mijn huidige betoog verwijten aan het adres van onze Uitvoerende Macht zal hebben gehoord. Misverstanden en vijandschap. ‘Een wetenschap die de samenleving bedreigt, dáárvan sluit diezelfde samenleving zich af , zei Gadourek (in een interview met Trouw, 6 juli ’83) over sociologie. Men heeft mij voor (ziekelijk) anti-fiscaal versleten, maar men zal mij nooit hebben horen zeggen, dat de belastingen te hoog zijn. Als men de service-staat wil, dan zijn de belastingen te laag en als men ze te hoog vindt, moet men de bedieningsstaat, de technocratie afschaffen. Men vond, dat ik de fiscale ambtenaren verguisde.

Dat kan hooguit die ambtenaar zo ondergaan, die zich als lid van de in-group ‘inspecteurs’, ‘commiezen’ etc. voelt. Want ik heb inderdaad met reeksen voorbeelden aangetoond, dat in onze bedieningsstaat ‘de’ fiscus (niet: iedere fiscale ambtenaar) niet anders dan buitenwettig kán optreden – wat veel ernstiger is dan een foute ambtenaar. De moeilijkheid is alleen, dat men, om dit aan te tonen, op individuele gevallen moet wijzen. Het ging mij steeds om het symptoom, en om de opsomming van de symptomen tot een algemeen ver schijnsel, niet om de betrokken ambtenaar. Die kan zich nauwelijks aan het gebeuren onttrekken, weet doorgaans nauwelijks, dat hij in de fout gaat. En als hij er zich wel bewust van is, dan voelt hij zich eerder als burgerlijk ongehoorzame, die voor een goed doel het recht in eigen handen neemt. Voor hem heb ik alle begrip – zoals, van een andere kant, ook voor de fraudeurs. Met de toevoeging, dat mijn sympathie – maar die is onwetenschappelijk – meer aan de kant van de illegale ambtenaren is. Hoe ook ideologisch misleid, vindt men in hun kring een grote mate van sociale bewogenheid, die een verblijf in hun midden voor mij telkens weer tot een vreugde maakte. Op misverstanden van andere aard stuitte mijn filosofische taak. Filosofie heeft hier meer en meer de betekenis gekregen van philosophy– een net woord voor een subversieve bezigheid. Het is het droevige einde van de illusie van de waardevrije wetenschap. Waardevrijheid lost zich in het niets op – en in dat niets sluipen dan ongemerkt waarden. Waardevrijheid bestaat niet, en juist daarom is het van belang zijn waarden op tafel te leggen; onverschillig of we die aan onszelf of aan een ander menen te moeten ontlenen. Ik meen, dat ik dit duidelijk heb gedaan en– het is mij niet in dank afgenomen, als ik die onbewuste vooropstellingen, vaak pure denkgewoonten, bij anderen boven water trok. Ik heb er nooit een geheim van gemaakt, dat de inhoud van mijn colleges de anthroposofie alsinspiratiebron had. Maar ik kan tegelijkertijd zeggen, dat ik – met uitzondering van twee uren in mijn negen Amsterdamse hoogleraarsjaren, waarin ik ter filosofische staving van mijn fiscale theorie de anthroposofische kentheorie uiteenzette – nimmer anthroposofie heb gedoceerd. Met die paradox moet u het voor vandaag maar doen.

Rest mij een laatste verantwoording: waarom ik vroegtijdig mijn post verlaat. Het besluit heeft vele oorzaken, waarvan ik enkele wellicht zelf niet weet. Ik noem er een paar van.

a.Wat zich sedert een paar jaren als belastingwetten voordoet, heeft zo weinig met recht te maken, dat de afstand tot wat ik over recht te vertellen heb, in het bijzonder over belastingrecht, door de student nauwelijks meer te overbruggen. is. Vanaf dat moment wordt het doceren van het ‘hedendaagse belastingrecht’ collaboratie.

b.Die student komt bovendien steeds vaker in een door multiple choice geconditioneerde staat op de universiteit aan, waardoor hij nog slechts in zwart-wit-verhoudingen kan denken, en genuanceerde sociologische en filosofische betogen aan hem langs gaan.

c.Door dit alles legt mijn onderwerp een onevenredig groot beslag op de tijd van de student, hetgeen bij de inperking van de studieduur niet meer te verantwoorden is. Van wat nodig zou zijn, een continuë vorming om de filosofische en sociologische aspecten van het recht te onderkennen en wel van het eerste jaar af, zijn we verder dan ooit verwijderd.

d.Zoals ik in mijn Ave Caesar reeds heb aangekondigd, ben ik niet van plan mij door Den Haag te laten plannen. Als de opeenvolgende Ezellenties de laatste mogelijkheden van vrijheid van wetenschap onmogelijk willen maken– zonder mij. De wijsheid spreekt graag recht over haar moeder, vooral als zij zich slechts wijs dunkt. Er is teveel te doen, dan dat ik mijn tijd in de strijd tegen burocraten zou willen verdoen. Een strijd bovendien, waarvoor ik nauwelijks makkers zou vinden, dienstvaardig mopperend, zoals men de commandotoon van formulieren pleegt te bejegenen.

e.Zelfs echter als men zich, dank zij een behulpzame staf, nog een vrijplaats zou kunnen permitteren, blijft de noodzaak, dat men als hoogleraar belastingrecht althans enigszins op de hoogte moet blijven van de inhoud van belastingwetten. Die jaarlijks veranderende nonsens wordt een steeds grotere belasting.

f.Wat het eigenlijke wetenschappelijke werk betreft: ik kan natuurlijk telkens weer hetzelfde aan nieuwe fenomenen aantonen. Wie het echter nu nog niet gehoord heeft, die wil het niet horen. Laatst werd ik door een oude vriend opgebeld. Hij had, in het buitenland, zojuist de Volkskrant met het interview ontvangen. Hij maakte zich ernstig ongerust over Nederland. Waar moet dat naar toe? Vroeger wist elke snotjongen, dat de staat zijn onderdanen belazert. Moet je daar in Nederland tegenwoordig professor voor zijn? – Ja, dan vraag je je wel even af, waarmee je bezig bent.

g.Tenslotte heb ik na dertig jaren belastingrecht behoefte om meer aan die andere pool te werken, het opbouwende deel waarover ik sprak. Waar naar mijn stellige overtuiging de staat er niet voor is om onze sociale problemen op te lossen, maar om ervoor te zorgen, dat wij dat ongestoord zelf kunnen doen, wil ik dat niet alleen aan anderen overlaten.

Inclusief studie achtendertig jaar aan deze alma mater, waarvan 33 jaar in haar dienst, is genoeg. En in zeker opzicht heeft dit afscheid een doorbraak geforceerd, die het werk van een tiental jaren niet heeft kunnen bewerkstelligen: er wórdt nu over het gedrag van de fiscus gepraat. – Of iemand de handschoen opneemt? Laat hij zich dan gesterkt voelen door het woord van Petra Kelly: dode vissen zwemmen met de stroom mee; levende zwemmen ertegenin. En omdat Petra Kelly op sommige mensen werkt als een groene lap op een kruisridder: Der Herr Doktor Johann Wolfgang von Goethe heeft gezegd: ‘Die Welt kann nur durch die gefördert werden, die sich ihr entgegensetzen. Wer sich ihr anpasst, ist für alles richtige Leben verloren.’

Ik kom tot een persoonlijk woord van afscheid. – Laat ik in de eerste plaats alle aanwezigen van harte voor hun komst danken. Het zal voor mij straks een bijzonder ogenblik zijn, iedereen in de ogen te kijken. Want het is een definitief afscheid: ik zal mij niet meer in belastingland vertonen. Dat betekent, dat alle goede voornemens ten spijt, de drukte van ons aller leven ertoe zal leiden, dat wij elkaar slechts bij toeval opnieuw tegenkomen – waarbij ik hoop, dat uitzonderingen de regel bevestigen. Ik bied u bij voorbaat mijn verontschuldiging aan, als ik straks de naam niet meer weet, die bij het gezicht past; of erger: beide kwijt ben. Ik prijs mij gelukkig, dat ik ondanks mijn felle stellingname in mijn gehele beroepsmilieu nooit ruzie heb gehad; met die ene uitzondering van een collega, die meende mij te moeten uitschelden. Wel had ik het met mijn collega’s het moeilijkste. Wij worden benoemd om de waarheid te vinden en te zeggen; wij worden er bovendien voortreffelijk voor betaald; het zat me altijd dwars, als ter wille van de politiek, de status, de entree, of de centen om de waarheid werd heengelopen. Ik meen, dat ik slechts in die gevallen in mijn betogen (soms) persoonlijk werd. En ik zou liegen, als ik vandaag zou beweren, dat ik daar spijt van heb. Maar misschien heeft dat met mijn geschonden in-group-beleven als hoogleraar te maken. Reeds heb ik gezegd, dat buiten die sporadische gevallen mijn kritiek zich steeds tegen verschijnselen en structuren, nimmer tegen personen richtte, hoezeer ook de situatie met zich bracht, dat functionarissen genoemd moesten worden: de staatssecretaris, de inspecteur te X, de consulent Y etc. Het is nochtans mogelijk, dat individuen of groepen zich gekwetst hebben gevoeld door mijn woorden. Of dat nu door een onjuiste interpretatie dan wel door een ongelukkige uitdrukkingswijze is gekomen – het is gebeurd en dat spijt me.

Dankbaarheid gaat naar de studenten uit, die mij hebben verdragen, die voor mij hebben geblokt, die ik het niet gemakkelijk heb gemaakt. Met velen is een echte band ontstaan – en vreugde, als ik ze al dan niet toevallig tegenkwam. De vriendelijke woorden, die menige student wist te vinden, toen bekend werd, dat ik ging vertrekken, hebben mij ontroerd. Vooral omdat het in Amsterdam gebeurde – de stad, waarin je vooral je gevoelens niet moet tonen.

Erkentelijkheid vervult mij jegens de drie staven, in welker midden ik mocht werken: Amsterdam, Tilburg en Rotterdam. Zij moeten het vaak moeilijk hebben gehad met mijn buitenissigheden. Zij hebben mij nochtans collegiaal terzijde gestaan. Als ik vandaag in het bijzonder van de Amsterdamse staf afscheid neem, dan wil ik er dit aan toevoegen: wij behoeven niet te verhelen, dat onze opvattingen divergeerden. Dat heeft wat mij betreft er niet aan afgedaan, dat ik met ieder persoonlijk van jullie een diepe band voel.

Het is gebruikelijk om op zo’n ogenblik ook aan zijn alma mater dank te zeggen. Ik houd echter niet van abstracties. Door mijn wijze van werkopvatting heb ik bijvoorbeeld nauwelijks collega’s buiten het belastingrecht ontmoet. Toch zijn er velen, bekenden en onbekenden, die voor mij bezig zijn geweest; van het bestuur over de deken en de administrateur tot aan onze Marokkaanse schoonmakers toe. Met hen allen voel ik mij opgenomen in een op dienst en wederdienst berustend sociaal leven.

Tot nu toe heb ik expres geen namen genoemd. Ik maak echter vier uitzonderingen. Tot mijn wetenschappelijke functie behoorde ook het redacteurschap van de FED.

Een warm gevoel van verbondenheid vervult mij jegens Niek Ypenburg senior, die mij, samen met de opvolgende redactieleden, mét hun toeneiging ook de vrijplaats hebben geschonken voor publicistische werkzaamheden, zonder welke ik het waarschijnlijk niet had gerooid. Jouw vaderlijke begeleiding van mijn weg, Niek, heb ik bijzonder gewaardeerd. Dankbaarheid is er ook voor de kameraadschap, die mij door al mijn docentenjaren heen met jou, Jan van Soest, verbond. Ik wist, dat ik jou onder alle omstandigheden kon vertrouwen, op je solidariteit kon rekenen– hoe ver onze fiscale interessegebieden ook uiteenliggen. Ik heb je vertrek van de universiteit als een persoonlijke klap gevoeld – en in retrospectief zou het waarschijnlijk juister zijn geweest, als ook ik toen reeds was vertrokken. Dat onze kameraadschap die uiterlijke verwijdering heeft overleefd, bewijst hoe hecht zij is. Mag ik jou, Van den Tempel, aanspreken als mijn beste vijand? Als mijn promotor heb je woorden tot mij gericht, die mij geheimen van mijn eigen biografie openbaarden. Mijn bewondering voor je snelle geest werd veruit overtroffen door die voor je vaardigheid, om je in de wereld van anderen in te leven. Omdat je mijn ‘Sociaal en onsociaal’ hebt gelezen, weetje, dat ik daarvoor méér dan bewondering heb. Het is mij altijd een raadsel gebleven, hoe wij, gedreven door eenzelfde sociale bewogenheid, naar diametraal tegengestelde remedies konden grijpen. Ik heb dit overigens nooit als een bezwaar gevoeld. Wie de waarheid zoeken, verbindt niets meer, dan het niet met elkaar eens te zijn. De laatste, die ik vanmiddag wil noemen, heeft in strikte zin met de universitaire wereld niets te maken. Des te meer met mijn gang door het belastingrecht. Jij, Jaap Hensbergen, hebt mij het positieve belastingrecht geleerd. Ik had een uitstekende leermeester, want ik heb nooit iemand ontmoet, die het vak zo allround beheerste als jij. Niet alleen de verdragen, maar ook de aanschrijvingen bij een of andere sociale verzekeringswet. Als autodidact heb jij voor mij niet alleen de betrekkelijkheid van de academische studie gedemonstreerd, je hebt het bovendien klaargespeeld om de arrogantie, die vele omhooggevallenen ontsiert, te vermijden. Na een reis naar de States voor besprekingen met concernmanagers, zat je de volgende dag in alle bescheidenheid een AOW-probleempje uit te zoeken. Maar niet je fiscale vaardigheid is het; die ons verbindt. Die was alleen de introductie. Wat ons verbindt is die arationele toestand, die men vriendschap noemt, die je als paranimf bij mijn promotie deed. staan, en waarvan ik vandaag in mijn laatste woorden wil getuigen. Jaap, toen ik schoon schip ging maken, de bibliotheek van de hand deed en de dossiers opruimde, toen ontstond de vraag: wat moet ik toch met (de kopieën van) mijn ‘eigen werken’ doen? Ik ben geen conservator van mijn verleden, en ik wil mij ertegen beschermen om het te worden. Hoe kan ik verder gaan, als ik mijn verleden achter mij aan blijf slepen? Maar weggooien…? Toen wist ik ineens, dat er maar één is, waar ze op hun plaats zijn. Niet als testament; niet als een in memoriam en alsjeblieft geen devotie: zie ze gewoon als malle en gedateerde verhalen, waarin je op een onbewaakt ogenblik grinnikend kunt bladeren, en die je gerust op mag ruimen ook, als ze Chris bij de grote schoonmaak in de weg staan. Jaap, nu moet je echt naar voren komen – en ik van mijn hoge plaats afdalen.